Steenstraat

In mijn gezicht

We worden oud, zegt Henriëtte. Henriëtte is iemand die zegt dat je alles moet vieren. Ze is mijn oudste vriendin, maar zit als laatste in de overgang. Ik kijk naar haar terwijl ze aan de rest van onze vriendinnen iets op haar telefoon laat zien, een filmpje van Miranda July die in haar woonkamer rare bewegingen maakt. Ze zitten op mijn knalgroene bank, die net iets te klein is voor het aantal personen die erop hebben plaatsgenomen, maar het ziet er knus uit. Ik zit tegenover ze in de stoel die ik eigenlijk jaren geleden al weg had moeten doen, waarvan het lichtbruine leer steeds meer op mijn
huid gaat lijken. Het is de stoel die mijn ex-man hier achterliet. We hebben net het boek All Fours besproken en we zijn dronken. Ik ben dronken. Ik weet eigenlijk niet of de rest ook dronken is, hoe het met ze gaat. 
           Het is twaalf uur ‘s nachts wanneer Henriëtte voorstelt om in de stad te gaan dansen. Ik ben de enige die met haar de nacht in vertrekt, de rest vertrekt naar huis, naar hun gezinnen. Henriëtte zucht, wanneer we onze
vriendinnen weg zien fietsen. Ik weet niet waarom ze zucht, maar ik denk dat ik het met haar eens ben en sla een arm om haar heen. Samen zien we dat niemand van onze vrienden nog echt rechtdoor fietst. Uit ieders fietstas
steken de boodschappen voor morgen. 
           Het is niet druk in de kroeg, er is genoeg ruimte en toch is het alleen Henriëtte die haar dunner geworden haar alle richtingen op laat zwaaien. Ik sta tegen de muur geleund en zie hoe Henriëtte haar schoenen uit schopt en met sokken over de plakkerige vloer probeert te glijden. Ze lijkt Miranda July na te doen. Een man die eruit ziet als een stamgast probeert met haar mee te bewegen. Ik zie het gebeuren, denk dat we inderdaad oud zijn geworden en bestel nog een drankje. Mijn hoofd staat niet naar de ochtend, naar alles wat er daarna nog staat te gebeuren.
          Tegen zes uur ’s ochtends sta ik buiten. Het licht is al genadeloos helder. Henriëtte is al eerder naar huis gegaan, ze moest slapen, zei ze, haar hond moest eruit. Ik blijf nog even op straat staan, te dronken om te weten waar ik naartoe moet of beter gezegd, waar ik naartoe wil. Een grote groep jongens, allemaal gekleed in een zwarte jas, komt voorbij fietsen en
alsof er een groep spreeuwen op me af komt gevlogen, draai ik me om de Steenstraat in. Iemand van hen roept nog: ‘Lekker kontje!’. Ik fluister dankjewel. 
          In de Steenstraat hoor ik het gebrul van een bladblazer. Een man in een fluorescerend vest blaast herfstbladeren weg. Ik loop naar hem toe en vraag of hij de blazer even in mijn gezicht wil houden. Gewoon, zeg ik, heel even en ga op de stoep zitten. Hij haalt zijn schouders op en richt de warme, droge lucht op mijn wangen, mijn ogen, mijn haar. Het voelt voor
even heerlijk, die wind, dit moment. Dit gevoel wordt verstoord omdat ik iemand mijn naam hoor roepen, vragend. Ik open mijn ogen en zie mijn ex-man aan de overkant van de straat staan, met een vers brood onder zijn arm. Hij wijst naar me,
zittend op de grond, mijn mascara waarschijnlijk uitgelopen, de wind vol in mijn gezicht. Even kijken we elkaar aan en ik glimlach. Ik weet niet waarom.

 

© Ruben Planting -  Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.