Minnie
Ik nodigde afgelopen nacht een man uit in mijn hotelkamer, ik kleedde me uit. Gewoon opnieuw beginnen, dacht ik. Nog een keer. Maar toen ik het shirt in mijn handen had genomen en het op de grond diende te laten vallen, kon ik het niet. Ik heb het weer aangetrokken. De man bleef kort in de deuropening staan en keek vreemd naar mijn borstkas die snel op en neer ging. Hij wees naar de print op mijn shirt, begon over de verhouding tussen Mickey Mouse en de Eiffeltoren. Dat het vreemd is dat de muis niet naar de toren kijkt, maar recht naar voren, alsof Mickey de toren zelf heeft gebouwd. Dat er op de wereld niemand is die alleen naar de Eiffeltoren zou gaan, ook Mickey Mouse niet. Hij zei het alsof het een technisch probleem was, ik knikte ja. Hij deed een stap richting het bed, ik knikte ja, maar stopte halverwege. Hij keek niet naar mij, maar naar de plek waar het shirt had moeten liggen, op de grond. Naar een grote vlek rode wijn in het tapijt.
‘We kunnen niet verder als het niet op de juiste plek ligt,’ zei hij, terwijl hij uit zijn jas die hij over de rugleuning van een stoel had gelegd, een zwarte stift haalde. Hij hield de stift voor zijn gezicht, waardoor hij zijn symmetrie verloor. Hij zei dat ik op mijn rug in bed moest gaan liggen en dat deed ik. Hij tekende traag, met een haast slapende adem en korte onderbrekingen, alsof hij steeds iets moest controleren.
‘Je mag kijken,’ meer zei hij niet. Hij draaide de dop weer op de stift, stond op, liep de kamer uit en trok de deur achter zich dicht zonder om te kijken.
In de spiegel zag ik het meteen. Naast Mickey had hij Minnie getekend. Slordig, haar strik net niet in verhouding, haar beide ogen ieder een andere kant op, scheel, alsof ze de hele kamer in de gaten houdt. Haar linkerhand warrig door die van Mickey getekend, een stofwolkje van lijnen, waarin gevochten wordt om bestaansrecht.
Ik ga met mijn vingers langs de getekende lijnen. Mijn adem stokt even als één van Minnie’s ogen me lijkt te volgen. Ik verdraai de stof van het shirt op zo’n manier dat het oog verfrommeld en doe dit ook bij het andere oog. Mickey zegt iets in het Frans wat ik niet kan verstaan en verfrommel zijn mond weg, loop naar de koelkast en schenk mezelf een nieuw glas wijn in.
Ik mis je denk ik.
Ik tik mijn wijnglas zacht tegen het raam, zeg proost tegen de stad en zie nog net hoe de lampen van de Eiffeltoren aanspringen. Onwaarschijnlijk dichtbij, alsof hij door het raam naar binnen probeert te komen of mij mijn kamer uit probeert te trekken. Ik doe als vanzelf het raam open en ga uit het raam hangen. Kom bij me, zegt mijn lichaam. Mickey zegt iets in het Frans wat ik wel kan verstaan.
‘Non, reste!’
Ik neem nog een slok wijn en zeg tegen Mickey dat hij zich niet zo aan moet stellen. Het laatste beetje van de derde fles verdwijnt in mijn glas. De Eiffeltoren flikkert als een hartslag, buigt zich alsof het wacht op applaus. Ik wil applaudisseren en laat het glas wijn vallen, mors wijn over jouw shirt. Ik vloek en het spijt me. De natte stof kleeft aan mijn huid, maar je bent er niet. De stofwolk van getekende lijnen verdwijnt langzaam in het rood. Minnie’s hand lost erin op, laat Mickey’s hand los.